De structuur
Het Beekdal Lyceum is onderverdeeld in drie afdelingen; de onderbouw (klas 1&2), bovenbouw havo (klas 3 t/m 5) en bovenbouw vwo (klas 3 t/m 6). Een afdelingsleider geeft leiding aan een team van docenten dat verantwoordelijk is voor het onderwijs aan en de begeleiding van een groep leerlingen. Voor de leerlingbegeleiding is in eerste instantie de mentor verantwoordelijk. Ook voor leerlingen die extra zorg behoeven, is de mentor de eerst aangewezen begeleider. Voor het aansturen van de mentoren zijn per afdeling leerlingbegeleiders aangesteld.
De begeleiding
Elke leerling van het Beekdal Lyceum is een uniek jong individu in ontwikkeling die met een havo- of een vwo-diploma de school wil verlaten. De school heeft een pedagogische taak en een zorgplicht voor elke leerling die is aangenomen. In de begeleidingsstructuur van het Beekdal Lyceum is het uitgangspunt: de leerling staat centraal.
Eerstelijnszorg: de mentor
De ontwikkeling die een leerling doormaakt vanaf 12 jaar is ingrijpend en vaak ook heftig. De mentor is het vaste aanspreekpunt waar elke leerling zijn of haar verhaal kwijt kan. De mentor probeert de leerling zo goed mogelijk te helpen bij het leren hanteren of het oplossen van een probleem, met de nadruk op leren. Elke mentor heeft met enige regelmaat een begeleidingsgesprek met zijn/haar mentorleerlingen. De mentor is het eerste aanspreekpunt voor ouders.
In de eerste drie leerjaren zijn in het rooster begeleidingsuren opgenomen. Er wordt, zeker in de brugklas, veel tijd ingeruimd voor studievaardigheden, keuzevaardigheden en sociale vaardigheden. Daarnaast is de mentor op de hoogte van de vorderingen van de leerlingen. Regelmatig wordt de stand van zaken door de mentor met de leerling besproken. Het Beekdal Lyceum beschouwt het begeleiden van leerlingen als een gemeenschappelijke verantwoording van school en ouders. Wanneer de mentor daar aanleiding toe ziet, zal hij contact met de ouders opnemen.
Als laatste houdt de mentor de aanwezigheid van zijn mentorleerlingen in de gaten. De ouders kunnen te allen tijde de behaalde cijfers èn absentiegegevens van hun kind inzien op Magister. Leerling en ouders wordt dringend verzocht bijzondere factoren die de studie kunnen beïnvloeden aan de mentor door te geven, zodat hiermee rekening kan worden gehouden.
Ook in de bovenbouw vormt de mentor de spil in de begeleiding. Iedere klas of groep (leerjaar 4 t/m 6) heeft een eigen mentor. Naast de reguliere begeleiding draagt de mentor ook zorg voor de keuze- / loopbaan oriëntatie begeleiding (LOB). Onder leiding van de mentor wordt er gewerkt met een lesmethode die de leerling gebruikt ter ondersteuning van het keuzeproces.
Tweedelijnszorg
Naast de mentoren zijn er ook leerlingbegeleiders. De leerlingbegeleider heeft een tweedelijns functie. Bij grote of complexe problemen kan de mentor de leerlingbegeleider inschakelen. Leerlingen of ouders kunnen ook rechtstreeks de hulp van een leerlingbegeleider vragen. De leerlingbegeleiders en de mentoren hebben zeer regelmatig overleg over de leerlingen en/of de klas.
Docenten met een speciale zorgtaak
Voor leerlingen die gehinderd worden door dyslexie, faalangst of die wat moeite hebben met het functioneren in een sociale setting, zijn er docenten geschoold in het leren omgaan met deze soort problematiek. Deze docenten maken samen met de leerlingbegeleiders en zorgcoördinatoren deel uit van een intern zorgteam.
Derdelijnszorg
Zowel de onderbouw als de bovenbouw heeft een zorgcoördinator. Deze houdt zich vooral bezig met de coördinatie van de totale zorg en met de leerlingen die speciale zorg nodig hebben. De zorgcoördinator heeft contact met externe instanties en de afdeling leerplicht van de gemeente Arnhem en kan eventueel verwijzen als dit nodig is.
Het Beekdal Lyceum heeft ook een Zorg Advies Team. Hierin zitten zorgspecialisten van de school en externe zorgspecialisten, zoals de schoolarts, orthopedagoog, maatschappelijk werker, een vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg, een leerplichtambtenaar en soms de schoolagent. Als er op schoolniveau geen adequate oplossingen voor een probleem bij een leerling wordt gevonden, kan de leerling in het ZAT worden besproken. Dit wordt altijd vooraf met de ouders overlegd en ouders moeten daartoe hun toestemming verlenen. Het ZAT adviseert vervolgens de ouders en/of de school.